Met een kloppend hart en zweethanden zit ik achter het stuur. Ik manoeuvreer behendig door de smalle straatjes, langs fietsers, geparkeerde auto’s en bestelbusjes. Op de navigatie zie ik dat ik ruim op tijd ben, nog tien minuten. Er ontsnapt me een zucht. Pfff, ik ben er bijna.
Thuis heb ik de route volledig uitgestippeld en bekeken waar ik moest parkeren. Op de plaatjes zag het er overzichtelijk uit. Ik kan dit. Maar nu, in de werkelijkheid, lijkt het alsof ik in een compleet andere wereld ben beland. Busbanen, baanafscheidingen, rode vlakken op de weg, toeterende auto’s, flikkerende borden, eenrichtingswegen... Mijn hart schiet omhoog als ik bijna de busbaan oprijd. Blijven opletten, Maartje, zo moeilijk is het niet.
De parkeerapp heb ik thuis wel vijf keer gecheckt, zodat ik straks niet bij het poortje sta en hij niet opengaat. Toch voel ik mijn hart bonzen als ik voor de slagboom sta. Niets gebeurt. Het was toch op kenteken? Vlug open ik de app. Achter me sluit een auto aan. Opschieten nu. Ah, daar staat het: poort openen. De slagboom gaat omhoog en mijn hartslag daalt een fractie.
"In het aangegeven vak parkeren," lees ik op het bord. Welk aangegeven vak? Ik heb toch geen nummer gekregen? Stond dat net op de paal bij binnenkomst? Ships, niet gezien. Staat het in de app? Nee. Alle vakken hebben cijfers, maar nergens een aanwijzing voor mij. Mijn hartslag schiet weer omhoog. In paniek parkeer ik op de eerste vrije plek en scroll door de app. Ik zie het niet. Wat nu?
Ik zie een vrouw uitstappen en weglopen. Zal ik het haar vragen? Nee, dat is vast stom. Toch maar doen? Na drie minuten interne discussie hak ik de knoop door, maar dan is ze al weg. Gelukkig loopt er nog iemand anders.
‘Nee,’ zegt hij nors. ‘Je hoeft niet in een specifiek vak te staan.’
Zie je wel, domme vraag. Iedereen lijkt te weten wat hij moet doen, en ook hier faal ik weer.
Bij binnenkomst word ik hartelijk ontvangen. ‘Was het makkelijk te vinden?’
‘Ja, het ging heel voorspoedig, ik was er zo,’ zeg ik met een stralende glimlach. Mijn hart lacht niet mee – die moet nog even bijkomen. Mijn hoofd maalt door: Waarom zeg ik dit? Het ging helemaal niet soepel. Maar ik wil gewoon overkomen, net als iedereen.
Dit soort situaties heb ik elke dag. Wat voor anderen simpel lijkt, kost mij bakken energie. Mijn gedachten razen als een tornado, indrukken en prikkels komen hard binnen, en dan wil ik het ook nog in één keer goed doen – het liefst perfect. Dat geeft stress. Dat vreet energie.
Mensen zien mijn glimlach, maar niet de strijd erachter. Dat is hoe het voor veel vrouwen met autisme is. We vallen niet op, we passen ons aan. Maar dat maakt het niet minder moeilijk.